 |
 |
|
HET AANBOD VAN GENADE WORDT IN ONZE DAGEN GEPREEKT MET EEN BEROEP OP DE VRIJE WIL, MAAR DAT IS PELAGIANISME TEN VOETEN UIT
Klik hier
| |
|
|
HET AANBOD VAN GENADE WORDT IN ONZE DAGEN GEPREEKT MET EEN BEROEP OP DE VRIJE WIL, MAAR DAT IS PELAGIANISME TEN VOETEN UIT - (zie afbeelding)
Inzender: Begrijp ik u goed dat u een tegenstander bent van het aanbod van genade?
Antwoord: Stelt u deze vraag n.a.v. de vorige twee artikelen, of in algemene zin? Ik houd niet van die losse flodders. Nou goed, vragen staat vrij en het weigeren daarbij. Ik moet u zeggen dat als u mijn preken zou beluisteren en mijn boeken/artikelen zou lezen, u deze vraag nooit gesteld zou hebben, omdat in mijn preken/boeken het aanbod van vrije genade ruim aan bod komt, maar niet zoals men het in onze dagen preekt, namelijk met een beroep op de vrije wil, want dat is boerenbedrog! Er bestaan geen mensen met een vrije wil en die dat wel leren zijn zonder enige uitzondering pelagianen en arminianen, ofwel valse leraars, die in alles dwalen. De mens van nature heeft een dienstbare geest (Rom. 8:15a), een vreesachtige geest (2 Tim. 1:7), een wereldse geest (1 Kor. 2:12), maar Gods volk heeft een vernieuwde wil om te willen wat God wil, namelijk de Geest der aanneming tot kinderen, door welke wij roepen Abba Vader", Rom. 8:15b. Het aanbod van vrije genade -ofwel de uitwendige roeping- komt tot een ieder die het hoort, maar de toepassing ervan is particulier en alleen voor verloren zondaren, want die worden inwendig en krachtdadig geroepen uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht. Gods volk ondergaat een staatsverwisseling en worden van het rijk der duisternis overgezet in het Koninkrijk van Christus door de beloften des Evangelies die in Christus ja en amen zijn, tot vergeving der zonden, tot het kindschap Gods en tot het eeuwige leven der gelukzaligheid. Christus spreekt Zijn volk levend en zalig, gelijk geschreven is: "De doden zullen horen, de stem van de Zoon van God en die ze gehoord hebben zullen leven", Joh. 5:25.
Christus is door de Vader naar deze aarde gezonden, om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Alle mensen liggen van nature verloren voor God, maar degenen die het werkelijk zijn in de erkenning van schuld en straf, zijn er niet velen, maar die en die alleen zijn de voorwerpen van de opzoekende zondaarsliefde van Christus, want Hij is niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar verloren zondaars tot bekering. God maakt alle inwendig geroepen zondaars eerst onvoorwaardelijk, alvorens zij door de enge poort worden toegelaten, want door de enge poort worden geen rechtopstaande zondaars toegelaten, maar uitsluitend verloren zondaars getrokken, die daar liggen op het vlakke des velds, vertreden in hun geboortebloed, gelijk geschreven is: "En aangaande uw geboorten: ten dage, als gij geboren waart, werd uw navel niet afgesneden; en gij waart niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde; gij waart ook geenszins met zout gewreven, noch in windselen gewonden. Geen oog had medelijden over u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uw ziel, ten dage, toen gij geboren waart. Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef!" Ezech. 16:4-6. Dat is de doorgang door de enge poort! Het aanbod van vrije genade gaat dus van Christus uit; leidt door de enge poort en in Zijn voorbidding is de toepassing der zaligheid verzekerd. Het aanbod van vrije genade stelt opzich geen mens in de ruimte, dan alleen diegenen die der wet gedood zijn (Rom. 7:9 - Gal. 2:19a). Dat is geen voorwaarde om zalig te worden, maar Gods orde hoe het gaat, namelijk in de orde van ellende, verlossing en dankbaarheid, zoals ook de HC het leert.
U zegt wellicht: Mag het aanbod van genade dan alleen gepreekt worden aan mensen die in het stuk der ellende verkeren?
Antw.: Nee, het Evangelie van vrije genade is onvoorwaardelijk en komt -zoals gezegd- tot iedere hoorder, maar geen mens van nature neemt het aan, omdat de godsdienstige mens van nature geheel voorwaardelijk is en daarom heeft God er een wet bijgegeven, om de voorwaardelijke mens het vonnis des doods te bezorgen, ofwel onvoorwaardelijk te maken. Als dat gebeurt, betekent dat de dood van de oude mens onder de wet (Rom. 7:9 - Gal, 2:19a), gelijk geschreven is: "Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest; opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot den dood, alzo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heere", Rom. 5:20-21.
De genadeleer is echt geen wiskunde, maar het is ook geen begripsleer, want het verstand laat na de ware grond van het weldoen op te merken. De genade komt niet van het verstand in het hart, maar andersom. Bij de wedergeboorte wordt eerst het stenen hart weggenomen en een vlesen hart geschonken. "Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden", 1 Kor. 2:14.
Al dat rationele geloof in onze dagen, leidt tot de eeuwige dood, omdat het voortkomt uit de val. Na ontvangen genade slaat de mens acht op de mond Gods: "Merk op mijn ziel wat antwoord God u geeft. Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft", Ps. 85:3 ber, want een wedergeboren hart slaat de woorden uit Gods mond op, zoals Maria de woorden van de engel Gods bewaarde, overleggende die in haar hart (Luk. 2:19).
De Heere maakt in het leven der Zijnen plaats voor Zijn Evangelie, omdat er bij een natuurlijk mens geen plaats is, zoals Christus dat zegt tegen de farizeeen: "Ik weet, dat gij Abrahams zaad zijt; maar gij zoekt Mij te doden; want Mijn Woord heeft in u geen plaats", Joh. 8:37.
Elke hoorder des Woords mag direct in Christus geloven, maar niemand doet het, tenzij God het hart opent voor Zijn Woord en dat is geen stenen hart, maar een vlesen hart, gelijk geschreven staat van Lydia de purperverkoopster, "En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd", Hand. 16:14.
Lydia was een jodin en zij was wel de joodse godsdienst toegedaan, maar nog steeds een dode zondares, hoewel niet onverschillig, want zij nam deel aan de gebedssamenkomst van de vrouwen aan de rivier (Hand. 16:13). Alvorens de Heere Lydia's hart opende, had zij een gesloten hart, dat is een stenen hart, waarin geen plaats is voor Christus. De korte beschrijving van Lydia's bekering in Handelingen 16:14-15, betekent niet dat het bij haar anders of makkelijker is gegaan dan de bekering van de andere bijbelheiligen, zoals vele tovenaars in onze dagen suggereren (zie afbeelding). God werkt bij al Zijn kinderen de zaligheid in de orde van ellende, verlossing en dankbaarheid, alleen de omstandigheden kunnen verschillen.
De doorgang door de enge poort is het criterium! Ook Lydia is als een dode zondaar door de enge poort getrokken en heeft vergeving der zonde ontvangen op de stem van de Zoon van God (Joh. 5:25), middels de prediking van Paulus. Het zaligmakende gevolg van het aanbod van genade is dus de doorgang door de enge poort en dat geschiedt niet door een ingestorte kracht, maar door de trekkende liefde des Vaders, waarvan Christus zegt: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage", Joh. 6:44.
De trekkende liefde des Vaders is nog geen ingestorte liefde, nog geen wedergeboorte, maar het leidt tot de geestelijke opwekking uit de doden in en door Christus en de vrede met God. In het stuk der ellende is het niet enkel hel en verdoemenis, want daarin ondervindt de door de Vader getrokken zondaar benauwdheid en droefenis en roept de Naam des Heeren aan, zeggende: "Och HEER', och wierd mijn ziel door U gered!" (Ps. 116:3 ber.). Zo is het ook Lydia vergaan in die gebedssamenkomst.
Dr. Gill zegt hierover: "Lydia - wiens hart de Heere opende; dat voorheen gesloten en vergrendeld was door de grendels van onwetendheid, verharding en ongeloof. Het hart van een zondaar voor de bekering is als een huis dat volledig in duisternis gehuld is; welke mate van natuurlijk of moreel licht er ook in is, er is geen enkel geestelijk licht; het is leeg van Gods genade, van de vrees voor Hem en van liefde voor Hem; het is zonder echte bewoners, zonder God, Christus en de Heilige Geest; en het is de woonplaats van demonen en de schuilplaats van elke boze geest die zich verlustigt in donkere en verlaten plaatsen; het is vergrendeld met ongeloof, dichtgemetseld, en zelfs versteend en verhard door de zonde, en wordt bewaakt en bezet door Satan, en zijn bezittingen worden door hem in vrede bewaard: en dit was het geval met Lydia; maar nu opende de Heere haar hart en verstand en bracht er licht in, dat voorheen in duisternis gehuld was; wat geestelijke zaken betreft; waardoor zij haar ellendige, zondige en miserabele staat van nature inzag, de ontoereikendheid van alle wegen, middelen en werken om haar te rechtvaardigen en te redden, en de noodzaak, geschiktheid en volheid van genade en verlossing door Christus; wat gedaan werd door dezelfde goddelijke kracht die aanvankelijk licht in de duisternis schiep: bovendien werkte de Heere in op haar hart en richtte ze op goddelijke en geestelijke zaken; Hij schiep liefde in haar ziel voor Christus, voor Zijn volk, voor de goddelijke waarheden en voor Zijn verordeningen; wat gedaan werd door Zijn almachtige hand, die het stenen hart wegnam en haar een vlezen hart gaf: Hij verwijderde ook de barriere van ongeloof, kwam in haar wonen, verdreef Satan en werkte geloof in haar, om naar Hem op te zien, Hem aan te grijpen en Hem te ontvangen als haar Redder en Verlosser; haar bereidwillig makend op de dag van Zijn heirkracht, om door Hem gered te worden en Hem te dienen. Niet Lydia zelf, noch de apostel Paulus, maar de Heere opende haar hart; Jehovah de Vader, die licht uit de duisternis gebood; Jehovah de Zoon, die de sleutel van het huis van David heeft; Jehovah de Geest, die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel, dat zij acht gaf op hetgeen door Paulus werd gepredikt."
Zo gaat het bij ieder kind van God. De godzalige Hanna spreekt dan ook exact dezelfde geloofstaal als Paulus spreekt in Rom. 7:9 en in Gal. 2:19a, want Christus wekt op Zijn spreken door Woord en Geest de doden op uit hun adamsgraf (Joh. 5:25) en dat zijn zonder onderscheid de goddelozen waarvoor Hij te Zijner tijd gestorven is (Rom. 5:6).
Hanna begint -net als Paulus- niet met het geloof, maar met God! "De HEERE doodt!" (1 Sam. 2:6a). Alvorens Hanna door Christus gered is geworden, lag zij gekneld in banden van de dood, daar de angst der hel haar alle troost deed missen (Ps. 116:2 ber.). Dat alles wordt ondervonden in het stuk der ellende en daar weet al Gods volk vanaf. Doch niet alle ellendekennis leidt tot de verlossing in en door Christus. Vele belijders luisteren zich dood aan het Evangelie. Voor hen is het Evangelie een reuke des doods ten dode (2 Kor. 2:16) en houden God voor een leugenaar, gelijk geschreven is: "Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem tot een leugenaar, en Zijn Woord is niet in ons", 1 Joh. 1:10.
God maakt onderscheid waar het niet gevonden wordt en dat is ook Paulus overkomen, maar aan zijn verlossing in Christus ging de bediening des doods (die van de wet) vooraf. Want, zegt Paulus, "toen het gebod kwam" (Rom. 7:9a). Ja, dan is het over en uit met de mens. Voor die ervaring leefde Paulus geheel zonder de wet in zijn eertijds, terwijl hij meende de wet te doen, maar toen hij door de Goddelijke cipier der wet bij monde van Christus gearresteerd werd in zijn loop ter helle en van zijn paard werd geslagen, was Saulus van Tarsen uitgerangeerd en werd hij als een blinde geleid in de rechte straat. Voor de blind geslagen Saulus werd de dood realiteit en sterven is God ontmoeten.
Hoe moet het dan?
Velen kerkelijke acteurs schreeuwen zich hees; "Je moet geloven!" Of: "Ik leg Christus in uw schoot en in uw hart" (zie afbeelding), maar ten spijt van al deze pauselijke zaligverklaringen, is er nog nooit een mens door dit soort toverspreuken tot bekering, noch tot het geloof in Christus gekomen.
Als het aanbod van genade bijbels recht gepreekt wordt, maakt dat de mens dubbel verdoemelijk, omdat elk natuurlijk mens het laat liggen, God voor een leugenaar houdt en aan de kennis van Gods wegen geen lust heeft en van de zonden geen last. En als een mens zich vergrijpt aan het aanbod van genade door er eigenhandig op in te gaan met zijn niet-bestaande vrije wil, is die mens over de muur geklommen, buiten de doorgang door de enge poort om. Daarvoor waarschuwt Christus uitdrukkelijk, zeggende: "Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die niet ingaat door de deur in den stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar", Joh. 10:1.
Geloof en Christus preken zonder de doorgang door de enge poort berust louter op fantasie. Dat is de doorsnee prediking in onze dagen, terwijl de zondaar die het vonnis des doods in zich omdraagt, zich alleen de hel en de eeuwige straf kan eigenen, omdat hij de enge poort gesloten vindt. "Klopt en u zal worden opengedaan", is voor hem niet meer mogelijk, want hij is aan handen en voeten gebonden, net als het voor dat verloren schaap niet meer mogelijk was om tot de herder terug te keren.
Hoe moet het dan?
Laten we Hanna weer eens aan het woord laten: "De HEERE doodt en maakt levend!" Zalig worden krijgt de mens nooit in handen; de HEERE doet het en als Hij het doet, laat Hij eerst de wet inkomen, om die dode mens die van nature in de zonde leeft, te doden in zijn dood-zijn, want dan pas gaat de mens geloven dat hij dood voor God ligt en een erfwachter van de hel is in de aanvaarding van zijn welverdiende straf. Ik weet het uit mijn eigen leven, maar niet mijn bevinding, maar het Woord is in alles het einde van alle tegenspraak.
"De HEERE doodt en maakt levend", want als Paulus het gebod op bezoek krijgt, bezwijkt hij onder de last der zonde, zeggende: "En ik ben gestorven" (Rom. 7:9b). Hetzelfde zegt hij in Gal. 2:19a, waarop de levendmaking in en door Christus direct volgt in Gal. 2:19b en in Gal. 2:20 klinkt het getuigenis uit Paulus' mond: "Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij." Niet meer die oude mens Saulus van Tarsen, maar het nieuwe schepsel in Christus. Alvorens de nieuwe Mens wordt aangedaan, wordt eerst de oude mens uitgedaan, gelijk geschreven is: "Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mens met zijn werken, en aangedaan hebt den nieuwen Mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft", Kol. 3:9-10.
Als het aanbod van genade zaligmakend kracht doet in ons leven, dan kan het geloof in Christus niet uitblijven. Het aanbod van genade werkt geen mogelijkheid om zalig te worden, maar trekt verloren zondaren door de enge poort heen tot aan de voeten van Christus om op Zijn spreken in de poort als een goddeloze gerechtvaardigd en met God verzoend te worden, "Want het Einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft", Rom. 10:4.
Het aanbod van genade heeft dus twee-erlei uitwerking, zoals Paulus dat door de inspiratie des Geestes leert: "Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan; dezen wel een reuk des doods ten dode; maar genen een reuk des levens ten leven", 2 Kor. 2:15-16.
Vele hoorders luisteren zich dood aan het Evangelie van vrije genade, omdat hun hart nooit doorstoken is geworden, zoals de Pinksterlingen dat wel ondervonden op de afsnijdende prediking van Petrus. Dat de mens zich doodluistert aan het Evangelie is eigen schuld, want onbekeerd zijn is geen lot, maar enkel vijandschap. En als een mens daarin blijft, zal het straks klinken: "Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is", Matth. 25:41b, "want gij hebt niet gewild dat Ik Koning over u zijn zou!"
Maar voor de doorstokenen van hart klinkt het uit de mond der profeten: "Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst", Jes. 9:5, "om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart; om den gevangenen te prediken loslating, en den blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om te prediken het aangename jaar des Heeren", Luk. 4:18-19.
De HEERE, onze Gerechtigheid! Emmanuel, God met ons!
Hopenlijk is uw vraag bij deze beantwoord.
zegen,
GPPB. v.d.m.
KLIK OP DE AFBEELDING TER INZAGE PDF-DOCUMENT VAN DE LAATSTE DRIE ARTIKELEN
|
|
|
|
 |
 |